| Schriftlezingen:
1 Samuël 17 en Johannes 1: 29 - 31
Kort
na de schepping waren alle dieren gelukkig en tevreden. Op eentje na;
dat dier was treurig en teleurgesteld. Dat dier was het lam. De schepper
merkte de teleurstelling bij zijn schepsel en vroeg: wat mankeert er aan?
Waarom zijn alle schepselen zo vrolijk en laten ze opgetogen van zich
horen en ben jij zo zwijgzaam en bedroefd? Ach, mijn God, als ik het zeggen
mag, waarom ben ik zo’n uitzondering tussen die duizenden anderen?
Waarom gaf u mij niet, zoals de andere dieren een schild en wapen om me
te verdedigen. Immers, de één heeft spitse horens, de ander
scherpe klauwen, weer een ander een krachtige slurf of een gevaarlijke
slagtand. Maar ik heb niets. Zoveel andere dieren kunnen wegvliegen, omhoog
klauteren, wegduiken in de diepte van de zee, of vliegensvlug rennen.
Maar wat kan ik? God hoorde het klagen van het hulpeloze lam welwillend
aan en zei: dan mag je een wens doen. Kies maar of je klauwen wilt, of
scherpe tanden of wat ook maar om tegenstanders te verscheuren of te verjagen.
O nee, zei het lam, dat wil ik niet. Ik wil niemand leed toebrengen, laat
staan doden. Maar misschien wilt u mij dan die wapens geven die mij helpen
om het leed dat mij wordt toegebracht te kunnen vergeten, om mijn lijden
dragelijk te maken.
Dat is een verzoek dat ik niet kan weigeren, sprak God. Ik zal je de drie
krachtigste wapens geven, waardoor je in tegenspoed niet ongelukkig zult
zijn en zelfs in staat bent om het grootste kwaad te overwinnen. Dit zijn
jouw wapens: zachtmoedigheid, toewijding en geduld.
Aldus
een oud joods verhaal. Het is niet toevallig dat degene die mij op dit
verhaal attent maakte ook de maker is van het beeld ‘De man en het
lam’. Laten we het eens aandachtig bekijken. Een beeld kan immers
meer zeggen dan duizend woorden. Het materiaal wekt door zijn kleur een
dubbele indruk: de gelige tint vertelt over zachtheid, maar de steenachtige
substantie spreekt van kracht. Er zijn twee figuren waarneembaar. De kop
van een dier en het hoofd van een mens. De vormen van kop en hoofd kennen
een soort eenheid, een verbondenheid. Wie de lijnen in het beeld volgt
ontdekt dat de mensfiguur knielt. Als in gebed. Als in overgave voor wie
groter is dan hij. Het hoofd van de mens zoekt bescherming achter de kop
van het dier. Een omgekeerde herder. De hoeder zoekt bescherming bij het
lam.
Als
je het beeld op je in laat werken zie je dat de mens rust op de nek, de
hals van het lam. De nek is wel een symbool genoemd van kracht en je kwetsbaar
durven opstellen. We horen het terug in allerlei uitdrukkingen: je nek
uitsteken, voor: iets riskants wagen, of jezelf bloot geven, een dikke
nek hebben, voor: een onbuigzame opstelling, iemand met de nek aankijken,
voor: een krachtige afwijzing, en zo meer. We zien in het beeld dat de
mensfiguur met een ingetrokken nek rust op de hals van het lam. De zichtbare
kracht van het lam tegenover de betoonde zwakheid van de mens. Hedi Bogaers
vertelde dat ‘overgave’ haar als een sturend begrip voor ogen
heeft gestaan bij het maken van dit beeld. Wanneer we dat combineren met
de titel ‘de man en het lam’ kunnen we ons afvragen: wie verbeeldt
de overgave? Is het de man, het lam; zijn het beide figuren samen? Of
wordt hier de levenskeuze van een mens verbeeld? De herder die ontdekt
heeft dat hij alleen kan hoeden als hij schuilt bij de kwetsbaarheid van
het lam.
We
lazen uit de bijbel het bekende verhaal over David en Goliath. Een verhaal
waarin wordt gescholden, gevloekt en gedood. In een eerste indruk niet
het verhaal waar je aan denkt bij een zachtgeel beeld dat ‘overgave’
wil verbeelden. Maar misschien heeft dat verhaal nog een andere kant dan
die klassieke juichkreet van de underdog: ‘de kleine heeft de grote
toch verslagen’. Nog een andere moraal dan: Heb maar wat meer respect
voor die kleine, want je weet nu hoe gevaarlijk hij uit de hoek kan komen.
Het verhaal rekent met de voorgeschiedenis van Saul en David. Saul getooid
met de zichtbare macht, maar in de praktijk machteloos door zijn angsten,
en David die geen zichtbare macht heeft, -de herdersjongen met de mooie
ogen-, maar die onzichtbaar getooid is met koninklijke waardigheid. Zo
vertelt dit verhaal over twee koningen: de één machteloos,
de ander machtig. Goliath brult tegen de mannen van Israël ‘jullie
zijn maar dienaren van Saul’. Zij delen in Sauls angsten, in zijn
onmacht. Het is veelbetekenend dat Goliath niet roept ‘jullie zijn
dienaren van de God van Israël’.
De
jonge David krijgt opdracht om zijn broers voedsel te brengen en een levensteken
van hen mee terug te nemen. De goede verstaander hoort hier het verhaal
van Jozef en zijn broers resoneren. Zou het met deze Jozef dan ook slecht
aflopen, zou ook hij overweldigd worden? Als David getuige is van het
uitdagende gedrag van Goliath spreekt hij niet over ‘de dienaren
van Saul’ maar heeft hij het over ‘nu hij de slagorden van
de Levende God heeft uitgedaagd’. David heeft een andere manier
van kijken.
Davids oudste broer wordt kwaad. Hij scheldt vol jaloezie zijn kleine
gezalfde broertje uit. Door David is er geen orde meer. Opnieuw gaan onze
gedachten naar het verhaal over Jozef die verkocht werd naar Egypte en
zelfs door zijn oudste broer niet werd beschermd. Zullen uiteindelijk
ook hier de rollen worden omgekeerd? Zoals eens de onmachtige slaaf Jozef
onderkoning van Egypte werd, zal zo deze jonge herder koning van Israël
zijn?
David is de enige die niet bang lijkt te zijn voor Goliath. Is hij dan
misschien gewoon stoer en onverschrokken? Toch het verhaal van de underdog,
de krachtige kleine die zijn vernederingen wreekt? Saul zegt tegen David:
jij kunt onmogelijk met die Filistijn gaan vechten, je bent nog maar een
jongen. Maar David antwoordt: Ik ben een herder die als een lam aangevallen
werd door een leeuw of een beer, er achter aan ging. Goliath brult: Kies
een man om tegen mij te vechten. Koning Saul voelt zich niet meer geroepen.
‘Koning’ David wel.
Hij gaat er achter aan. “De Heer heeft mij gered van de leeuw en
de beer toen ik opkwam voor een lam, de Heer zal mij redden van deze Filistijn.”
Saul biedt hem een pantser aan, maar David kan er letterlijk en figuurlijk
niet mee uit de voeten. David geeft zich over aan andere bescherming en
een ander wapen.
U ziet hier op de grond vijf gladde stenen liggen. Ze zijn ook van de
hand van Hedi Bogaers en in een eerste indruk zou je zeggen ‘er
is niets aan te zien’. Het zijn gewoon vijf gladde stenen. Geen
stenen pijlpunten, geen geslepen kiezels of ander wapentuig. Nee, gewoon
vijf steentjes, waarmee een herder een schaap tot de orde zou roepen.
Een ongevaarlijk signaal om bij de kudde te blijven. Vijf gewone stenen
die over een ongewone levenswijze vertellen. Vijf steentjes als de vijf
boeken van Mozes. Leefregel en wegwijzer. Die kant is het op. Blijf toch
op deze weg.
David
kiest voor het lam. Zo blijft hij herder, ook nu bij Goliath. Daar waagt
hij zijn bestaan voor. In die richting wil hij leven. Daar ligt zijn kwetsbaarheid,
daar ligt zijn kracht. Hij geeft zich over aan het geloof dat de Heer
voor de overwinning geen zwaard en lans nodig heeft.
Generaties later noemt Johannes de doper Jezus het lam van God. Het Paaslam
dat de zonden van de wereld weg zal doen. Zo sterk is zijn macht. Het
lam is in staat om het grootste kwaad te overwinnen. Maar het blijft de
vraag of wij het met die macht durven wagen. In die richting willen leven.
Of wij durven knielen voor die zachtmoedigheid. Ons hoofd durven bergen
in zijn geduld. Of wij kiezen voor de levenswijze van de man en het lam.
ds.
Michiel de Zeeuw,
Zierikzee,
2003
 
|