“In nevelen”
Mijn pen, te lang terzij gelegd,
terzij, gelijk ik zelf wou zijn,
had taal en teken mij ontzegd
en gaf, vol stolselen, geen begin.
Ik doopte hem in water in.
En in de schaal met water zonk
de droppel, het ultramarijn,
en heeft zich zwevende verdeeld.
En uit het nevelend blauw ontstond
een langzaam losgewonden beeld,
de eindelijke, de moeder mijn,
lieflijk van ogen en van mond.
Hoe zacht en ernstig zag mij aan
wier kind, wier blijdschap ik mocht zijn,
nieuw en van donkerte ontdaan.
— En wenkte nog en was vergaan.
( Ida Gerhardt)