De grondtroepen.

“Wat ik me steeds afvraag: hoe komt een mens op het idee, om koster te worden.
Of is dat soms toevallig op uw weg gekomen? vraagt een vriendelijke dame aan de koster.
De koster is wat verbaasd, maar toch ook wel blij met de vraag, want hij vertelt graag over zijn beroep.
“Nou ik heb, toen ik nog heel jong was, er aan gedacht om het te worden, maar dat was toen meer een soort uitvlucht.”
“U bent ook niet erg duidelijk met uw antwoorden, of is dat soms vaktaal?”
“Nee het is gewoon een vrij lang verhaal, want het gaat over mijn Tante Johanna. En daar kan ik wel uren over vertellen.”
“Dat moeten we dan maar niet doen, al ben ik wel nieuwsgierig geworden. Eigenlijk zou ik toch wel uw verhaal willen horen.”
“Ik heb best even tijd, maar dan kunnen we beter even gaan zitten. En dan beloof ik dat ik zo snel mogelijk zal vertellen.”

Die tante Johanna, was een ongehuwde en dominante dame, die er nogal aparte ideeën op na hield.
Verder was tante enorm gerimpeld, droeg een bril die totaal niet bij haar paste. En haar kunstgebit rammelde en praatte mee bij sommige woorden.
Ze verdiende wel zelf de kost in de meubelbranche. Maar het was duidelijk te zien dat de zaken niet zo best meer gingen, want op haar eigen meubels kwamen steeds meer kleedjes te liggen, om de slechte plekken te verbergen.
Als haar neefje kwam ik een paar keer per jaar, samen met mijn ouders, bij haar op bezoek.
Ze was op een bijzondere manier bij het kerkelijk leven betrokken. Zo hield ze al tientallen jaren bij wie ze ooit als gastpredikant had horen preken. Achter hun naam stond soms een +, maar dikwijls een -. Maar ook wel eens - - -
Als tante een preek voor de tweede keer hoorde, schreef ze deze herder meteen een brief.
Het ritueel tijdens het bezoek was altijd hetzelfde. Eerst een pepermunt. Dan even praten en dan altijd en eeuwig de berichten vanuit de kerk. En daarna ook altijd over neef Casper. Dat was dan m’n achterneef, die ik nog nooit had ontmoet. Maar die was dan ook wel dominee. Verder waren er nog verre familieleden die studeerden, waarschijnlijk ook voor dominee. Ze had het ook wel eens over een neef die professor was. Maar die had iets gestudeerd wat tante niet begreep. Dus dat was voor haar dan ook niet interessant.
Als dat dan allemaal was besproken, dan vroeg tante wel eens naar het “gewone volk”.
En dan was ik ook wel eens aan de beurt. Want ze begreep wel, dat ik als enigste zoon van ons gezin, niet studeerde maar les kreeg op een ambachtsschool. Dus ik zou zeer waarschijnlijk geen dominee worden.
“Denk je wel eens na over de toekomst ventje?” was dan meestal de vraag.
Op een keer was ik dat beu en ik wilde ook wel iets belangrijks worden en riep:“Tante ik ga koster worden!”
Er viel een korte stilte, terwijl ik hoopte op een positief antwoord. Want ik wilde nu toch ook iets kerkelijks worden. Het antwoord viel tegen en ik begreep het niet eens. Ze sprak de woorden: “Dat is dan wel bij de grondtroepen.”

Ik heb die middag niets meer gezegd en later aan m’n vader om uitleg gevraagd. “Je tante denkt dat dominees en kerkenraadsleden zo belangrijk zijn, dat ze als het ware al met één been in de hemel zijn. En ze vindt, dat ze daar zelf natuurlijk ook bij hoort.
Maar het verdere kerkvolk en dus ook de koster, staan nog gewoon met beide benen op de grond. Hoewel m’n vader er moeite mee had om me dit te vertellen, vond ik deze uitleg wel grappig. En ik heb toen resoluut geantwoord. “Dan is het zeker wel iets voor mij. Want ik voel me wel thuis bij de grondtroepen.”
De koster kijkt triomfantelijk, want hij heeft zijn verhaal kort en duidelijk kunnen vertellen. Maar er verschijnt een ondeugend lachje op z’n gezicht:
“Maar of dat er nu werkelijk toe heeft bijgedragen, weet ik eerlijk gezegd ook niet.”
“Maar wat ik wel weet, dat koster zijn boeiend is. Maar de weg er naar toe ook spannend is geweest. En ik voel me nog steeds thuis bij de grondtroepen.”

Ben Ramondt