Vissen in het bloed…

Mijn kleindochter vroeg laatst aan me: “Opa, discipelen zijn toch een soort vissers?” Ik heb daar zo goed mogelijk op proberen te antwoorden. Maar ik dacht, als ik de koster spreek, zal ik eens aan hem vragen of hij een passend verhaal weet.

“Dat is nou wel heel toevallig, dat je dat aan mij vraagt,” antwoordt de koster. “Binnenkort gaat er bij mij iets gebeuren, dat ook met vissen te maken heeft. En ik vind dat mensen, die daar aan meewerken, goede mensen zijn. Dat waren de discipelen immers ook.”
“Wat je nu allemaal vertelt, daar begrijp ik nog helemaal niets van, maar je maakt me wel erg nieuwsgierig.”

“Dat zal ik proberen uit te leggen. Binnenkort gaan ze bij iemand, ergens op de wereld, die al gewend is regelmatig bloed af te staan, voor mensen die bloed nodig hebben voor een operatie of een ernstige ziekte, bloed afnemen.
-Theoretisch zou het mijn buurman kunnen zijn, of misschien wel een zwarte pianist, die ’s nachts z’n geld verdient in een dure nachtclub.-
Ook bij hem, of het kan ook haar zijn, hebben ze naast bloedonderzoek, ook het DNA bekeken en opgeslagen. Voor het geval er ergens hier op aarde, iemand zijn stamcellen nodig heeft. Omdat deze door kanker niet meer goed werken en maar blijven delen. En dus nieuw leven geven aan een ernstig ziek lichaam.”
“Ja, nu had ik wel gehoord dat je ziek bent, maar dat er zoiets gaat gebeuren, daar hoor ik toch van op.”

De koster glimlacht: “Ik moet er zelf ook nog een beetje aan wennen. Maar ik had het dus over die onbekende. Daar gaan ze uit het bloed, moedercellen of stamcellen vissen. Ze doen dat met een grote machine, het lijkt wel op een nierdialyse. Want het bloed stroomt door een machine, en vist als het ware de stamcellen er uit. Die zijn eerst geactiveerd, door het geven van medicijnen. De stamcellen hebben het beenmerg tijdelijk verlaten en zwemmen nu los door de bloedbaan. De “vangst” stoppen ze dan in een zakje. Met auto, boot of vliegtuig brengen ze dat naar mij toe in een ziekenhuis in Rotterdam. Daar laten ze die dan los in een bloedader. En de naam zegt het al; moedercellen. Moeders zijn nu eenmaal gewend, in alle omstandigheden, gewoon weer aan het werk te gaan. Dus ze zoeken weer leuk plekje in het beenmerg van mij en als ze het dan een beetje gewend zijn, gaan ze aan het werk. Om onder meer rode en witte bloedlichaampjes aan te maken.”
“Dat is toch wel erg knap, dat ze dat allemaal kunnen?”
De koster kijkt nu ernstig: “Het is geweldig dat ze dat kunnen. Maar dat kan alleen maar als er een medemens is, die zonder vergoeding hieraan wil meewerken en deze stamcellen af wil staan.”
“Daar heb je gelijk in koster, dat ben ik helemaal met je eens. Maar hoe weten ze nu, wie z’n cellen er goed zijn?”
De koster denkt heel diep na: “Dat weet ik ook niet zo precies, het heeft met het DNA te maken. Daar sporen ze wel meer mee op. Maar er komt nog veel meer bij kijken. Bij mij moet er het een en ander geregeld worden. Zeg maar plaats gemaakt worden, voor de nieuwkomers. Ze moeten de oude cellen vernietigen en door bestraling en extra chemo, maken ze de omgeving wat rustiger, zodat de nieuwe cellen niet te veel weerstand ondervinden.”
“Nou, het is bijna niet te geloven. Toch ben ik blij, dat je me dit verteld hebt. Dit verhaal had ik absoluut niet verwacht. Ik wens je veel sterkte en ik hoop op een goed resultaat.”
“Daar gaan we voor! Ik ga dit met vertrouwen tegemoet.”

Ben Ramondt