Doe Opa de groeten!

“Koster, sta je nou te staren of kijk je echt naar het orgel?”
De koster schrikt, want hij dacht dat hij alleen in de kerk was. Maar de vaste klusjesman Kees was intussen binnen gekomen: “Nou, eigenlijk allebei een beetje.”
“Dus dat kan ook nog?”
“Zeker wel, want zolang ik hier als koster werk, kijk ik altijd even naar het orgel en dikwijls praat ik ook met het orgel.”
“Ach, zo heeft ieder zijn gewoontes. Het zal wel typisch iets van een koster zijn!”

“Maar ik heb wel een reden om dat te doen. Want mijn opa was orgelbouwer en we hebben de zelfde voornaam, helaas heb ik hem zelf niet gekend, want hij is heel jong overleden.”
“Nu ga ik het begrijpen. Hoeveel weet je eigenlijk van hem?”
“Heel weinig. Er werd in mijn jeugd nauwelijks over hem gepraat. Maar in mijn fantasie heb ik hem beter leren kennen.”
“Interessant, maar je hebt toch wel een foto van hem?”
“Mijn oma is overleden toen ik begin twintig was. Ze praatte er niet graag over.
Als ik er naar vroeg, gingen de verhalen meestal over het overleven zonder een uitkering, maar wel met twee jonge kinderen. Maar ik heb, na veel aandringen, een paar keer naar een foto mogen kijken. Dat was de laatste foto, een week voor hij is overleden. Hij was toen in Driebergen aan het werk. Hij liep met zo’n enorme orgelpijp. Een dag later kreeg hij de Spaanse griep. Hij had nog een kaartje gestuurd naar mijn oma, dat ze vooral niet ongerust moest zijn. Maar drie dagen later was hij dood.”
De mannen kijken elkaar aan en voelen iets van een enorm verdriet, wat zoiets teweeg kan brengen.
De koster zucht: “Ik kan nog steeds niet begrijpen, dat er nooit over hem gepraat werd. Want in een klein achterkamertje stond bij mijn oma een prachtig kastje, met veel houtsnijwerk. En bovenop, waar dan de theekopjes stonden, zat onder glas een bloem. Die was vervaardigd van postzegels, die in heel kleine stukjes waren gesneden, en met veel precisie was daar een bloementak van gemaakt. Verder was het meubeltje dus versierd met veel houtsnijwerk. Het was dus in één woord een kunstwerk. Dat had mijn opa gemaakt. Maar dat kwam ik door een toevalligheid te weten. Toen ik maar bleef aandringen werd er dan toch bij vermeld, dat hij ook al het houtsnijwerk bij de orgels deed. En voor het eerst en tevens voor de laatste keer zei ze met veel respect: “Je opa was een kunstenaar op dat gebied en ook nog zeer muzikaal.” Met die informatie moest ik het doen.
“Ik heb, met veel praten en maar blijven aandringen, die bloem weten te bemachtigen. Waar het meubel is gebleven weet ik niet. Maar als ik op bed lig op mijn linker zij, kijk ik naar het kunstwerk van mijn opa. Want ik heb het laten inlijsten.”
“Dat is toch wel uniek, om op een zodanige manier een band te hebben met het verleden. Maar ik ben toch niet al te nieuwsgierig, als ik vraag of die band in de loop van al die jaren, met je opa altijd hetzelfde is geweest?”
“Dat mag je best weten. Vroeger was het vooral een enorme bewondering en ook wel medelijden dat hij zo vroeg is gestorven. Maar later was er ook wel eens een tikje jaloezie. Want ik had ook best wat muzikaler willen zijn en ook wel wat creatiever.
Maar hij was heel erg tegen drank, terwijl ik ontzettend kan genieten van een heerlijk glas rode wijn.”
“Maar koster, draai het nu eens om. Kijk nu eens niet naar het verleden, maar naar de toekomst. Jij hebt toch ook al kleinkinderen? Hoe gaan ze aan jou terug denken. Is het dan wel zo belangrijk of je muzikaal was of creatief?
“Dat is ook wel zo, want men zegt nu eenmaal, dat ieder mens uniek is. Dus dat geldt dan toch ook voor een koster.”
“Juist en ze zullen het, net als jou, ook wel aanvullen met hun eigen fantasie. Want er zijn niet zoveel mensen, die een koster in hun stamboom hebben.”
“Daar heb je wel gelijk in. Maar toch blijft het jammer dat er vroeger zo weinig over gepraat werd. Want er moet toch ook veel verdriet geweest zijn. Maar dat deelde je niet met een kleinkind. Dat was waarschijnlijk in die tijd niet de gewoonte.”
“Toch is er best kans, dat er over een halve eeuw, een kleinkind van jou ook een verhaal vertelt, over zijn opa die koster was!”
De koster zucht: “Daar heb je wel gelijk in. Maar was het alles bij elkaar wel zo’n goeie ouwe tijd?
Maar ja, we zouden het over de toekomst hebben. Wat kwam jij eigenlijk doen?”
“Nou, ik kwam de verlichting op het orgel controleren.”
De koster glimlacht en zegt: “doe opa dan maar de groeten…..”

Ben Ramondt