Mijn derde dag.

“En koster, hoe staan de zaken. Hoe zijn de eerste dagen verlopen?”
Terwijl de predikant plaats neemt achter de keukentafel, houdt hij de koster nauwlettend in het oog.
“Dat gaat wel dominee. Ik moet natuurlijk nog aan veel dingen wennen, maar het zal wel lukken.”
“Dat is fijn om te horen. Toch verraadt je stem enige aarzeling. Maar goed, ik kom voor iets belangrijks.”
De koster kijkt enigszins verschrikt. Hij denkt: wat zou die nu weer voor regels gaan vertellen?”
“U hoeft niet zo te schrikken. Ik kom ook voor de koffie, want ik moet waarschijnlijk nog jaren uw koffie drinken. Want bij al die vergaderingen, die ik hier in dat mooie kerkgebouw bijwoon, serveert u de koffie. Dus hopelijk is die te drinken. Want koster, geloof mij maar, als de koffie goed is, dan is dat een grote bijdrage voor ieder samenzijn. Dus wel een grote verantwoording voor jullie als kostersechtpaar.”

De koster, die al met veel mensen heeft kennis gemaakt, is toch wel enigszins verbaasd over deze ontmoeting.
“Natuurlijk dominee, ik heb koffie staan, zal ik dan maar voor u inschenken?”
“Fijn, roep je vrouw er maar bij. Dan kunnen we gezellig een bakje drinken en meteen nog wat zaken bespreken.”
“Vertellen jullie nou eens eerlijk, wat heeft zich de laatste dagen nu al afgespeeld in deze kosterswoning. Want er zijn vast al een paar lieden geweest, om onze koster…,”
Hier neemt de spreker even een pauze, om met brede glimlach verder te gaan; “hoe zal ik het zeggen, laat ik het maar te inspireren noemen.”

De koster en zijn vrouw kijken elkaar aan. Wie gaat het woord nemen? De koster kucht en begint wat aarzelend: “Dat is misschien toch wel het goede woord. We gaan ervoor en meer dan ons best kunnen we ook niet doen. Dan zal het toch wel goed komen?”
“Nou koster, dat klinkt eigenlijk wel goed, want ik zal het maar eerlijk zeggen... Ik was toch wel een beetje bezorgd.”
“Maar dominee, denkt u dat….?”
“Niet zo snel schrikken koster, want dat is nu juist waar we eens over moeten praten. Trouwens de koffie smaakt uitstekend. En dat durf ik gerust een zegen te noemen, want dat hoort, volgens mij, in het rijtje van aardse zegeningen.”

De koster gaat al meteen wat vrolijker kijken: “Ik ben, nou ja, wij zijn beiden ook gesteld op goede koffie.”
“Maar nu ga ik even mijn herderlijke taak uit oefenen. Tijdens de gesprekken, die we hadden, over uw sollicitatie...” De dominee kijkt enigzins ondeugend naar het echtpaar. “Als ik met jullie alleen geweest was, had ik het al gezegd. Maar goed, beter laat dan nooit”.
Het jonge echtpaar gaat zich steeds meer op hun gemak voelen. En dat nu juist zo’n dominee toch weer mee valt. En bijna zelfverzekerd vraagt de koster: “Nu ben ik toch wel nieuwsgierig!”
“Dat begrijp ik. Maar als ik me niet vergis, vinden jullie mijn bezoek toch minder eng dan jullie dachten.”
“Dat heeft u goed gezien, maar ja, als gewoon mens heb je nauwelijks contact met een dominee. En ja, ik ben toch wel opgevoed met het idee, dat dominees wel erg belangrijk zijn. Ik weet niet precies hoe ik dat onder woorden moet brengen. Zoiets als contactpersoon tussen hemel en aarde,”

“Daar wil ik het nu juist met jullie over hebben. Want volgens mij hadden jullie het idee, dat ik en al die andere functionarissen een soort heiligen zijn.”
“Ja, maar … Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen. Maar ik had ook nog nooit met een scriba of noem maar op gepraat. Ik kan me herinneren dat er wel eens een dominee bij ons thuis is geweest, maar toen stuurde mijn vader me naar buiten. Die dominee keek me wel aan. Maar daar bleef het bij. Dus denk je al gauw: die zal wel erg voornaam zijn. Trouwens mijn vader was ook van slag, die probeerde zelfs deftig te praten. Maar dat lukte ook niet al te best.”
“Jammer, dat je die ervaring hebt meegemaakt. Niet meer aan denken. Maar dit is mijn verhaal. Er wordt hier in onze kerk, door velen goed werk verricht. En heus, ik doe ook mijn best. Maar we zijn ook maar gewone mensen. Waar je natuurlijk ook best respect voor moet hebben.
Maar we hebben net als iedereen, onze eigenaardigheden. En heus die heb ik ook. Want ik ben ook wel eens gespannen, of ik heb soms ook mijn dag niet. Hou daar rekening mee. We moeten het samen doen. En wat is nu een kerk zonder koster?”

Het echtpaar is stil, maar wel gesterkt. De koster weet niet wat hij moet zeggen. Hij kijkt naar zijn vrouw, die tactisch zegt: “Zullen we dan nu nog maar een kopje koffie drinken?”
“Prima idee, maar nog even. Wees niet bang, om het ook eerlijk te zeggen, als mensen je oneerlijk behandelen. En dan drinken we nu … nog een kopje koffie.“

Ben Ramondt