“Sta je te piekeren?” De koster wordt aangesproken door een goede kennis.
“Nee, helemaal niet, ik sta gewoon te genieten van het leven.”
“Fijn, dat je dat kunt. Gelukkig, gaat het nu weer goed met je.”
“Ja, inderdaad. Maar ik moet nog steeds aan het idee wennen. Want eerlijk gezegd was ik toch al een beetje aan het afscheid nemen, al praatte ik daar niet zoveel over. Dat moet je toch vooral zelf zien te verwerken.”
De dame knikt vol begrip en blijft de koster geruime tijd aankijken: “Ik durf het bijna niet te vragen, maar omdat ik er zelf nogal mee bezig ben, doe ik het toch maar. Had je al een lied uitgekozen voor je uitvaart?”
“Inderdaad is dit niet een alledaagse vraag. Maar ik vind, dat het wel moet kunnen. En mijn antwoord zal u misschien enigszins verbazen.
Ik had alles geregeld, maar geen lied. Ik heb als koster al zoveel horen zingen, dat ik gekozen had voor een eenvoudig menuet van Mozart. Dit wordt gespeeld door een klein aantal strijkers en een hoorn. Een muzikaal hoogstandje. Toen had ik het idee; laat bij de laatste kerkdienst van een eenvoudige koster, maar een sprankelend, maar ingetogen muziekje horen.”
“Inderdaad, een bijzondere keuze voor een koster. Maar als gewone kerkganger denk ik toch ook aan iets instrumentaals. Maar ik hoorde u over toen, is uw keuze dan veranderd?”
“Inderdaad, maar het blijft wel iets instrumentaals. Ik ga nu voor Beethoven en wel het slot van zijn eerste symfonie.
Waarom kijkt u nu zo verbaasd? O, ik begrijp het misschien. Nee, heus ik heb nog steeds geen kapsones gekregen. Omdat ik afscheid ga nemen, met veel hout en koperblazers, omringd door strijkers. Nee, dat komt omdat ik het laatste jaar nogal veel heb meegemaakt.”
De dame knikt weer instemmend. “Dat heeft vast met je ziekte te maken.”
“Ja, maar meer met de behandeling. Een paar jaar geleden werd de behandeling overgedragen naar een kliniek, die speciaal is voor kankerpatiënten.
Wat zagen we daar tegen op. Ik zeg ook speciaal we, omdat ik nooit alleen ga, altijd samen met mijn vrouw. Trouwens, je ziet er ook maar weinig patiënten, die alleen zijn gekomen.”
“Waarom zagen jullie daar dan zo tegen op? Je had toch al jaren kanker?”
“Jazeker, maar toen we nog naar het andere ziekenhuis gingen, leek het anders. We zeiden ook weleens, als we die afslag zagen: “gelukkig hoeven wij daar niet heen.”
Dan kwam toch die gedachte; als je daar eenmaal terecht komt, dan heb het wel gehad en wordt dat het eindstation.
Ook de gedachte aan vroeger. Want toen betekende kanker meestal doodgaan. En helaas gebeurt dat nu nog steeds veel te vaak. Maar nu zijn er toch meer kansen voor de vele patiënten. En dat is goed merkbaar. Zeker als je daar heel vaak komt.”
“Neem me niet kwalijk, dat ik je weer onderbreek, maar het lijkt mij juist enorm triest. Tussen al die zieke mensen. Sommigen zullen wel kaal zijn. Dat is toch een en al somberheid?”
“Dat dachten wij ook. En je ziet heus wel die ellende, maar na verloop van tijd ervaar je, dat je met zijn allen strijd tegen die venijnige ziekte, die zo meedogenloos je lichaam sloopt, maar waar je toch steeds strijd tegen voert.
Helaas voor sommigen is die strijd te hevig en niet te winnen. Maar juist die strijd doe je ook een beetje samen, met al die andere patiënten. Omdat je veel in de wachtkamer zit, komen de gesprekken. En als je dan bloedkanker hebt, wordt er natuurlijk heel veel bloed geprikt. Je hebt in de afgelopen tijd al vele buisjes vol zien lopen. Soms zeiden ze op het Lab:”maak je borst maar nat!” Dan beliep dat soms meer dan 20 buisjes bloed per keer.
En daarom is het uitwisselen van bloeduitslagen en eveneens de vele bijwerkingen van de beruchte, maar onmisbare chemo, dikwijls onderwerp van gesprek.
Dit alles gebeurt niet op een trieste manier. Maar wel is die enorme vechtlust merkbaar.
Zoals: “Mijn haar komt steeds mooier terug.” Of … “ik ben nog meer van het leven gaan houden en heb hier veel lieve mensen ontmoet.”
En omdat die mensen, overal die enorme moeilijke strijd voeren en ik daar ook bij hoor, wil ik nu en hopelijk duurt het nog erg lang, muziek laten horen, waarin volgens mij, die strijdlust goed te horen is, die we samen gestreden hebben.
Want ook Beethoven worstelde met zijn gezondheid.”
“Nou koster ik begin het nu te begrijpen, althans voor zover dat mogelijk is. En natuurlijk hoop ik ook dat het nog heel lang duurt voor die muziek zal klinken. Maar als ik jou was, zou ik er dan wel bij vermelden: “Zet de muziek maar erg hard. Dan komt die strijdlust juist goed tot zijn recht.”
Ben Ramondt