Strelende herinneringen.
De koster en z’n vrouw zijn een weekje op vakantie in Brabant.
Om de kosten enigszins in de hand te houden, zijn ze ingetrokken bij Johanna,
de zus van de koster zijn vrouw. Zij
bewoont daar samen met haar man een appartement, Hun dochter is inmiddels
kunstenares en heeft deze monoloog muziek productie bedacht. Zij is ook
degene, die het allemaal in Heerlen ten tonele voert in het Glaspaleis.
Het kostersechtpaar is hierbij natuurlijk ook aanwezig, Ze zijn er speciaal
voor over gekomen.
“Dames en heren allemaal hartelijk welkom bij deze première.
U bent nu te gast bij een heel bijzondere productie. Maar om er ook echt
van te kunnen genieten, is het de bedoeling, dat u een blinddoek op doet.
Deze gaan we nu uitdelen en ik wens u een goede voorstelling toe.”
De aanwezigen mompelen wel wat, maar ja het is nu eenmaal een bijzondere
productie.
Weldra zitten alle bezoekers, inclusief het kostersechtpaar, geblinddoekt
te wachten op de dingen die komen gaan.
De
kunstenares komt binnen, loopt wat rond en even later wordt er een fles
ontkurkt en een glas gevuld. Het gaat allemaal wat aarzelend, er wordt
gezucht, ze wekt de indruk dat ze moeite heeft weer een nieuwe dag te
beginnen. Aan de af en toe wat slepende geluiden en het trillen van de
klankkast is af te leiden dat ze een cello bij zich heeft.
Ze gaat nu ook praten, maar wel met gedempte stem. Die wordt omlijst door
muziek, die vanuit alle hoeken van het zaaltje te voorschijn komt en langzaam
maar zeker ontstaat een wat mysterieuze sfeer...
Het is geen gewone spreektaal die ze gebruikt. De koster moet wennen aan
de zinnen: “Jij en ik, het is zo stil, dat je in het binnenste van
je oren hoort, hoe de hamers over de aambeelden nadenken.”
De koster had er, tot heden toe, niet over nagedacht, dat er in zijn middenoor
zo veel werd af gepiekerd. Maar na voorloop van tijd gaat hij de sfeer
en vooral het ritme van de woorden van deze poëtische taal waarderen.
Want de woorden gaan samenvloeien met wat er zich afspeelt. De toeschouwers,
die her en der op een stoel of kussen zitten, raken er ook steeds meer
bij betrokken.
De poëzie gaat verder: “De zonneregen op je voorhoofd verwordt
tot een rivierbedding.”
En als er dan ook nog water bij wordt gesprenkeld, worden de zintuigen
en gevoelens wel erg geroerd. De toch meestal nuchtere koster, wordt opgenomen
in een soort extase. Ongemerkt gaan tekst en de bewegingen één
worden.
Intussen leven de bezoekers zo mee, dat het dan niet vreemd is, dat de
kunstenares ze aanraakt.
De koster z’n vrouw vindt het dan ook heel gewoon, dat haar pas
gepermanente haar in de war raakt. Hierna is het linker oor van de koster
aan de beurt. Die vindt dit meer dan prettig en verbreekt de stilte, door
met een zwoele, maar fluisterende stem, te reageren: ”Ik weet het
schat.”
Halverwege de voorstelling mogen de blinddoeken af. Het publiek maakt
kennis met een, in het wit geklede gestalte, die op een statige stoel,
achter haar cello heeft plaats genomen.
Ze gaat ook spelen. Even later gaat de strijkstok enorm snel heen en weer
over de snaren.
Hoge en lage tonen wisselen elkaar snel af. Haar gehele lichaam is er
bij betrokken. Ze verklaart als het ware haar liefde aan het instrument.
Dat wordt in de finale bekroond met de geboorte van een cellootje..
Dan ineens realiseert de koster zich, dat hij door heftige emoties, in
een zekere trans is geweest.
Hierdoor was hij, in zijn verbeelding, weer die jonge koster, die trots
achter in de kerk, naast zijn vrouw zat. Jong en verliefd en vooral met
een groot verantwoordelijkheidsgevoel, zat hij daar iedere zondag twee
keer. En iedere keer als de dominee zijn preek beëindigde, aaide
zijn geliefde echtgenote zijn linker oor. Zomaar even strelen, iedere
zondag weer, twee maal...
Niet omdat de koster ooit zou slapen in diensttijd, maar alleen maar even
die streling, Gewoon iets laten merken van de saamhorigheid, die nodig
is als hij als koster weer in actie komt.
Later bleek dat de reactie van de koster niet was opgemerkt. Iedereen
had het druk met z’n eigen fantasieën of herinneringen.
Ben Ramondt

|