We noemen haar Joyce

Na een poosje gewacht te hebben in de lange rij mensen, zijn de koster en zijn vrouw aan de beurt, om het bruidspaar (hun nichtje en haar bruidegom) te feliciteren.
“Hartelijk gefeliciteerd met jullie huwelijk en dat jullie nog maar lang en gelukkig mogen leven.”

Nadat het cadeau is overhandigd, doet de koster een stap achteruit en zegt plechtig: “Onbegrijpelijk... maar het is toch nog uitgekomen.” Zijn vrouw kijkt hem aan en zegt: “Wat bedoel je daar nou mee?”
“Nou, wat die aardige zuster in het ziekenhuis ons toevertrouwde, twee dagen na de geboorte van Joyce. Want het is inderdaad een bankdirecteur geworden.”
Het prille echtpaar, is er nauwelijks van onder de indruk. Want in de loop der jaren, hebben ze van de koster al meer typische opmerkingen gehoord. En ook de nodige sterke verhalen. Maar ditmaal......

De koster en z’n vrouw gaan op kraamvisite, in een naburige gemeente in een Rooms Katholiek Ziekenhuis, bij de zus van zijn vrouw.
Ze melden zich bij de portier. Ze vraagt waar ze moeten zijn en de koster antwoordt beleefd: “de baby is eergisteren geboren.”
De religieuze zuster, die als portier en gids fungeert in het ziekenhuis, deelt plechtig en met heldere stem mede, dat boven aan de trap rechts afgeslagen dient te worden en dat men dan de kraamafdeling niet meer kan ontwijken.

“Wat een bijzondere lucht hangt hier toch, wierook vermengd met ontsmettingsmiddel. Dat maakt het toch wel heel bijzonder.”
“Ja zeker, het geeft een aparte sfeer, het medische vermengd met het geestelijke maakt het geheel wat mysterieus.”
Het echtpaar is zo in trans, dat ze boven aan de trap pardoes links af slaan. Even later komen ze een dichte deur tegen, die ze nog in hoger sferen zijnde, gewoon openen en zonder het zelf te weten de operatiekamer betreden.
Na nog een tiental meters wordt hun weg belemmerd door een religieuze zuster van boven tot onder in het wit. Alleen haar witte gezicht, waaraan duidelijk te zien is dat ze boos is, is nog net zichtbaar.
Ze worden er nadrukkelijk op gewezen, dat ze zich op verboden terrein bevinden maar vooral, dat ze toch bijzonder dom zijn om zoiets te doen.
De koster begrijpt wel, al is hij dan koster in een Protestantse Kerk, dat hij hier toch maar weinig tegen in kan brengen. En hij biedt nederig zijn excuses aan. Maar voegt daar aan toe: “Ik heb altijd al moeite gehad met het uit elkaar houden van links en rechts.”

Ze zijn nog niet weg van dit verboden stukje ziekenhuis, of ze worden alweer aangesproken door een andere religieuze zuster.
Maar deze lijkt wel een engel, de liefde straalt er als het ware vanaf.
“Ik loop wel even met u mee”, zegt ze bijna fluisterend, maar toch goed verstaanbaar.
“Hebt u even tijd? Ik moet toch nodig even iets tegen u zeggen.”

De vrouw van de koster heeft nog wel wat bezwaar, want ze wil nu toch eindelijk wel eens haar zus en de nieuwe baby bewonderen. Maar ze kan het uiteindelijk niet laten, want deze zuster heeft zo’n uitstraling... “Ik heb het hele gesprek gehoord en ik moet u nu echt even iets vertellen. Ik heb haast m’n hele leven, onze lieve Heer mogen dienen in het mooie missiewerk. En als zuster wist ik natuurlijk, dat er meer is tussen hemel en aarde. Maar van de mensen daar heb ik dingen geleerd, dat hou je bijna niet voor mogelijk. Maar eigenlijk mag ik er niet over praten van moeder-overste. Maar ik ben er rotsvast van overtuigd dat ik nu een uitzondering moet maken.”
Ernstig en devoot vertelt ze het verhaal:
“Heel lang geleden werd er midden in het oerwoud een meisje geboren. Ik hoorde toen ook een gesprek, net als van jullie. Het heeft erg veel overeenkomst.
Een man en een vrouw, waren ook de verkeerde hut binnen gegaan. En ook hen werd gezegd, dat ze erg dom waren. Nou, om het verhaal compleet te maken, kwam die man met hetzelfde antwoord: “We hebben moeite met links en rechts.”
“En ik weet het als geen ander. Heus en dat voel ik gewoon, dit is absoluut een aanwijzing. En ik weet bijna zeker, dat de baby die jullie straks gaan zien, ook weer kinderen zal krijgen. Hun aantal kan ik niet meedelen.
Maar wat ik wel zeker weet; ze zal trouwen met een man, die het geld van anderen beheert en daar zelf ook goed aan verdient. Waarschijnlijk heet hij John, maar ook dat weet ik niet helemaal zeker.
Want ik heb die baby daar op zien groeien en mocht ook de bruiloft meemaken. En ik heb ze zien trouwen met een geld-deskundige. Wat dan in Westerse maatstaven, zeker zoiets als bankdirecteur is.”

“Het is een mooi verhaal, bedankt dat u het verteld heeft.”
De koster is er best van onder indruk. Maar z’n vrouw zucht maar eens: “Allemaal onzin, maar het zal wel goed bedoeld zijn.”
De koster is het daar duidelijk niet mee eens: “Het zou toch best eens kunnen. Hopelijk maken we hun bruiloft mee. Dan kunnen we het controleren.”
“Ik weet maar één ding zeker”, z’n vrouw laat triomfantelijk het geboortekaartje zien: “Hier staat het, we noemen haar Joyce, dat is voorlopig onze enige zekerheid.”

Ben Ramondt