Verkeerd beoordeeld.

“Goedemiddag. Het is nu wel volop genieten met dit mooie weer hè?”
De koster wordt aangesproken door een vriendelijke jongeman, die samen met z’n dochtertje op het strand wandelt.
De koster, die graag in gesprek is met z’n medemens, reageert spontaan: “Ja, als het goed weer is, moet je er maar van genieten. Bent u al in het water geweest?”
“Ja en nee, tot m’n knieën, want die kleine meid kan nog niet zwemmen.”
“Zou het voor mij, als wat oudere man, ook te doen zijn?”
“Dat denk ik wel, en met dat oud zijn valt het ook wel mee denk ik. Maar mag ik u eens iets vragen?”
“Ja natuurlijk, zeker na zo’n compliment. U maakt me zelfs nieuwsgierig.”
“Ik zie u al een tijdje bezig. Ze zeggen van mij, dat ik goed mensen kan observeren en daarom vind ik u wel een bijzonder mens.”
“Leuk… of beter gezegd interessant, dat wij elkaar juist hier treffen. Die kwaliteit wordt mij ook nogal eens gemeld, maar gaat u verder want ik ben nu wel heel erg benieuwd naar uw mening.”
“Nou goed… ik heb zomaar het idee, dat u een hoge functie bekleedt in het bedrijfsleven. Als ik naar uw houding kijk en zie hoe u omgaat met andere strandbezoekers.”
De koster is even stil van deze woorden en is nu bezig een tactisch antwoord te formuleren: “Wat mijn functie betreft, ben ik ook belangrijk. Maar het is niet zozeer in het bedrijfsleven, maar in een kerk. Ik ben zelfs geen predikant, maar ik ben de koster.”
Dit is duidelijk een tegenvaller voor de observator. Hij heeft zich duidelijk verkeken op de houding en het omgaan van de koster met mensen. Hij slikt even en vervolgt:
”Ja, dat is heel wat anders en volgens mij is het een beroep uit een grijs verleden. Ik wist niet eens dat zoiets nog bestond. Want in een moderne en dynamisme maatschappij is daar nauwelijks nog behoefte aan, lijkt me.”
“Nou, nou, dat is wel erg kort door de bocht. Al wordt het werk tegenwoordig vaak door vrijwilligers gedaan, dan wil dat nog niet zeggen, dat het niet belangrijk is.”
De jongvolwassene probeert zijn negatieve reactie een positieve wending te geven. “U bent het toch wel met me eens, dat de maatschappij heel veel verandert? Het is dan heel belangrijk om dat ook mee te veranderen. Dus dan is zo’n beroep toch op z’n minst wat achterhaald?”
“U hebt het dan over veranderen, maar als ik hier op dit strand de mensen goed observeer kom ik toch tot een heel andere conclusie. Toen u nog niet bestond, kwam ik ook al regelmatig op dit strand. Wat zag je toen?
Moeders die voor de kinderen zorgen. Mannen vooral bezig met het graven van kuilen en kastelen bouwen. En nog steeds zie ik dames, die zich zelf mooi vinden, dikwijls heen en weer lopen. En degene die geen flair hebben verstoppen zich nog steeds achter een tent. Dus hieruit mag ik dan toch wel concluderen dat mensen nauwelijks veranderd zijn.”
“Misschien hebt u wel enigszins gelijk, maar het is wel een heel voorspelbare reactie van u. Als u nu eerlijk bent en u kijkt om u heen, ziet u dat toch? Alleen al aan de kleding, of het juist niet aan hebben van kleding.”
“Wees gerust, mijn ogen doen het nog best. Maar die veranderingen vind ik en dat is mijn persoonlijke mening, geen slechte ontwikkeling. Het doet mij aan het paradijs denken. Dus de wereld en kleding verandert, maar de mensen blijven hetzelfde.”
Deze opmerking doet de man goed: “Dat vind ik nu wel een leuke opmerking. Die moet ik mijn vrienden vertellen, als ik weer ga golven.”
Hij kijkt de koster nog eens aandachtig aan. “En misschien heb ik uw beroep toch verkeerd beoordeeld.”
“Dat weet ik wel zeker, maar wat doet u eigenlijk voor de kost?”
“Nou ja, ziet u… de kleine meid wordt wat ongeduldig en ik heb mijn vrouw beloofd op tijd terug te zijn……… Ik heb dus nu even geen tijd meer.”
De koster mompelt: “Die jeugd van tegenwoordig… je krijgt niet eens antwoord op je vraag!”

Ben Ramondt