Voorleeskoster.

De koster is in gesprek geraakt met een Belg. Wat niet zo vreemd is, als je samen met je vrouw een dagje naar Brussel gaat.
“U ziet er nog jong uit, u werkt zeker nog?”
“Ja, zo’n beetje. Ik ben koster, dat beroep bestaat bij jullie toch ook?”
“Dat zou ik denken.” De Belgische meneer wordt nu erg enthousiast. “Dat is leuk, we hebben pas nog heel wat beleefd met onze koster, of eigenlijk meer met de pastoor. Want die is van jullie vandaan, we hebben zogezegd een Ollandse priester.”
De koster begrijpt er nog niet zoveel van, maar vindt het leuk dat er zo enthousiast wordt gereageerd op zijn mooie beroep.
“Volgens mij wordt het een leuk verhaal en buiten gaat het steeds harder regenen, dus wat mij betreft kom maar op.”

“Een half jaar geleden kregen we een nieuwe pastoor en eerlijk gezegd vonden wij dat niet zo leuk, want wij Belgen vinden dat Ollanders anders Rooms zijn, dan we gewend zijn in Vlaanderen. Ik weet niet hoe ik dat uit moet uit leggen, maar dat doet er verder ook niet toe.”
“Je maakt me wel nieuwsgierig, want ik ben niet zo thuis in het Roomse leven.”
De verteller kijkt wat vragend naar de koster en gaat weer verder met zijn verhaal.
“Die nieuwe pastoor dus, begon zich al snel druk te maken, over het feit dat er veel te weinig geld binnen komt om zijn parochie goed te kunnen runnen. En al snel begon hij in z’n preken er op te wijzen, dat er meer geld moest binnen komen. Hij bracht het wel leuk zoals: jullie eten en drinken als Bourgondiërs, gaan veel op vakantie, maar voor onze lieve Heer hebben jullie nauwelijks iets over.
Maar hoe druk hij zich daar over maakte, de giften werden wel iets meer, maar nog steeds was het niet genoeg. Daarom ging hij een stapje verder. Hij vertelde dus weer via z’n preek: als jullie niet meer betalen ga ik er wel voor werken. Dus als jullie kinderoppas of ander soort hulp nodig hebben, dan kom ik voor zeven euro per uur. En natuurlijk stort ik dat geld in het parochie fonds.”
“Toch wel interessant, want volgens mij is zeven een heilig getal,” merkt de Hollandse koster nuchter op.
“Nou, dat zou best eens kunnen. Wij vonden dat ook wel vreemd, maar goed jullie Ollanders hebben meer verstand van zulke dingen. En verder stonden wij nu niet bepaald te juichen over z’n plannen. Maar in de praktijk liep het echter prima. De pastoor ontmoette parochianen, die niet meer zo trouw naar de kerk kwamen. Kortom een prima ontwikkeling. Maar toch was onze pastoor niet tevreden en voerde z’n actie op. Hij wilde dat de koster hem ook ging helpen, hij dacht zelfs aan een voorleeskoster op de school.”
“Nou dat is toch wel........”
“Zie je wel ? Ik merk het ook aan uw reactie, hij ging nu toch te ver. Maar onze koster had natuurlijk al met meerdere pastoors gewerkt. Hij had al veel praktijkervaring opgedaan. Hij stelde voor, om maar eens om een teken te vragen. Maar dat vond dien Ollander veel te Rooms.”
“Wat moet ik me daarbij voorstellen? Want daar heb ik totaal geen ervaring mee.”
“Men vraagt dan een teken aan de Grote Baas, zal ik maar zeggen.”

Er werd afgesproken, als de eerstvolgende collecte het dubbele zou opbrengen, dan hoefde de koster niet meer op te treden als voorleeskoster.”
“Ik denk niet, dat ik daar mee aan zou moeten komen!“
“Dat kan ik goed begrijpen, want onze pastoor vond het ook niet zo geweldig. Maar d’n Ollander was toch slimmer dan de koster dacht en speelde het als een goedgelovige pastoor mee. Want hij wist heus wel, dat je als koster zo’n collecte kunt beïnvloeden.
Want de koster kent heel veel mensen en voor deze gelegenheid bezocht hij gewoon wat welgestelde parochianen.”
“Ja maar......... nu denkt jullie koster dat de pastoor wel gelooft in dat gunstige teken.”
“Waarschijnlijk niet, want hij zei in z’n preek: bedankt parochianen, al moet ik de kinderen teleurstellen, dat de koster voorlopig niet komt voorlezen.
Maar onze beminde koster legt het allemaal in jullie handen, of zal ik maar zeggen: in jullie portemonnee.”

Want ja, uiteindelijk heeft de pastoor gewonnen, die heeft nu toch meer geld.”

Ben Ramondt